Duurzame mobiliteit is bij veel werkgevers inmiddels geen los project meer, maar onderdeel van het reguliere beleid. Dat komt naar voren uit de jaarlijkse werkgeversenquête van Ipsos I&O, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Tegelijkertijd valt iets anders op: werkgevers verwachten minder vaak nieuwe maatregelen te nemen om mobiliteit verder te verduurzamen. De grote veranderingen lijken voor een belangrijk deel al in gang gezet. Daarmee verschuift de vraag steeds meer van: Wat willen we nog invoeren? naar: Hoe organiseren we mobiliteit slimmer in de dagelijkse praktijk?
Duurzame mobiliteit is steeds vaker onderdeel van het beleid
Ruim de helft van de ondervraagde werkgevers noemt duurzaamheid inmiddels een kernwaarde van de organisatie. 37 procent voert actief beleid voor duurzame mobiliteit. Veel maatregelen die enkele jaren geleden nog als vernieuwend golden, zijn ondertussen vrij normaal geworden. Vrijwel alle werkgevers vergoeden woon-werkverkeer en ongeveer twee derde biedt bijvoorbeeld thuiswerkregelingen, flexibele werktijden en laadpunten voor elektrische auto’s. Tegelijkertijd neemt de bereidheid om nóg meer maatregelen te nemen af:
- In 2020 verwachtte 71 procent maatregelen te nemen om medewerkers slimmer of minder te laten reizen. In 2026 is dat nog 22 procent.
- Ook de ambitie om fietsen, openbaar vervoer en schoner reizen verder te stimuleren ligt lager dan enkele jaren geleden.
Dat hoeft niet te betekenen dat verduurzaming stilvalt. Het kan er ook op wijzen dat veel organisaties inmiddels een goede basis hebben gelegd en nu vooral bezig zijn met de praktische invulling daarvan.
De auto blijft een belangrijke rol spelen
Een andere interessante uitkomst is dat het autogebruik nauwelijks verandert. Volgens werkgevers reist 58 procent van de medewerkers met de auto naar het werk. Dat percentage ligt ongeveer op hetzelfde niveau als in 2020. Voor zakelijke afspraken is de auto nog dominanter: daar ligt het aandeel op 80 procent. Ook keren medewerkers weer vaker terug naar kantoor. Meer werkgevers stellen een minimumaantal kantoordagen vast en medewerkers die thuiswerken, doen dat gemiddeld minder dagen per week dan enkele jaren geleden. Dat maakt de mobiliteitsvraag niet per definitie kleiner. Wel wordt die in veel organisaties minder voorspelbaar. De ene afdeling werkt grotendeels hybride, terwijl een andere juist regelmatig op locatie moet zijn. Projectteams groeien tijdelijk, nieuwe medewerkers starten en werkzaamheden kunnen per periode verschillen. Dat vraagt om een mobiliteitsbeleid dat makkelijker kan meebewegen.
Elektrisch rijden groeit wel duidelijk door
Waar de groei in nieuwe mobiliteitsmaatregelen afvlakt, gaat de elektrificatie verder. Zeven op de tien werkgevers hebben inmiddels laadpunten voor elektrische auto’s. Vorig jaar was dat nog 64 procent. Ook het aandeel organisaties dat leaserijders verplicht elektrisch te rijden groeit: van 17 procent in 2025 naar 25 procent in 2026. Elektrisch rijden wordt daarmee steeds minder een aparte keuze en steeds vaker een logisch onderdeel van het wagenpark. Maar in de praktijk is er wel verschil per medewerker en functie. Niet iedereen heeft dezelfde rijbehoefte of laadmogelijkheden. Ook kan het lastig zijn om voor meerdere jaren vooruit te bepalen hoeveel voertuigen een organisatie precies nodig heeft. Juist bij de verdere elektrificatie van een wagenpark wordt het daarom belangrijk om niet alleen naar de aandrijflijn te kijken, maar ook naar de periode waarvoor mobiliteit nodig is.
Van één mobiliteitsoplossing naar een flexibele mix
De mobiliteitsvraag van organisaties wordt steeds diverser. Een vaste kern van het wagenpark kan goed passen bij structurele mobiliteitsbehoeften, terwijl tijdelijke inzet uitkomst kan bieden bij projecten, nieuwe medewerkers, piekperiodes, vervanging of een tijdelijke uitbreiding van een team. Ook bij elektrificatie kan zo’n flexibele schil waardevol zijn. Organisaties kunnen elektrische voertuigen inzetten waar dat al goed werkt en tegelijkertijd ervaring opdoen met rijbereik, laden en gebruikersgedrag voordat mobiliteit voor langere tijd wordt vastgelegd. Flexibele mobiliteit hoeft daarmee geen alternatief te zijn voor een vast wagenpark. Het kan juist een aanvulling zijn waarmee organisaties sneller kunnen inspelen op veranderingen.
Mobiliteitsbeleid wordt vooral maatwerk
De uitkomsten van het onderzoek laten wat ons betreft vooral zien dat zakelijke mobiliteit volwassen wordt. Duurzaamheid, thuiswerken, elektrisch rijden, fiets, openbaar vervoer en de auto maken inmiddels allemaal deel uit van dezelfde mobiliteitsmix. De uitdaging zit steeds minder in het kiezen van één oplossing en steeds meer in het goed combineren ervan. Welke mobiliteit heeft een medewerker daadwerkelijk nodig? Voor hoe lang? Welke oplossing past bij de functie? En hoeveel ruimte wil je als organisatie behouden om later bij te sturen? Juist die vragen zullen de komende jaren waarschijnlijk belangrijker worden. Voor werkgevers betekent dat: blijven verduurzamen waar het logisch is en tegelijkertijd voorkomen dat mobiliteit langer wordt vastgelegd dan nodig.
Artikel op basis van de jaarlijkse werkgeversenquête Ipsos I&O, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2026



